Gisteren kreeg Nijkerk er wat kleur bij. Een regenboogpad bij het station.
Een paar gekleurde stenen, zou je kunnen zeggen. Een symbool van inclusiviteit, volgens een ander. En nog geen 24 uur later is het al beklad. En nee, ik voel me daardoor niet persoonlijk aangevallen. Maar ik voel me wél geroepen om me uit te spreken. Niet omdat ik vind dat iedereen zo’n regenboogpad prachtig móét vinden. Ik zelf vindt het ook niet nodig om op deze manier aandacht te vragen voor het onderwerp, maar die mening mag ik toch hebben? Maar vooral omdat ik me afvraag: welk voorbeeld geven we hiermee aan de jeugd van Nijkerk?
Vijf jaar lang heb ik mij in Nijkerk vrijwillig ingezet met mijn musicalschool. Onze belangrijkste boodschap was eigenlijk altijd heel simpel: iedereen mag zichzelf zijn. Of je nu druk bent of stil, onzeker of zelfverzekerd, op jongens valt, op meisjes valt, op allebei of daar überhaupt nog helemaal niet mee bezig bent. Je hoeft niet in een hokje te passen om ergens bij te mogen horen. Juist daarom raakt het me om te zien dat iets wat diezelfde boodschap probeert uit te dragen, binnen een dag doelbewust wordt beklad.
Ik lees reacties als: “Het wordt ons door de strot geduwd.” Weet je? Dat mag je vinden. Net zoals iemand anders mag vinden dat zo’n regenboogpad juist ontzettend hard nodig is. Dat zijn twee verschillende meningen. Twee werelden die prima naast elkaar kunnen bestaan. Sterker nog: dat móét kunnen. Praat erover. Discussieer. Stel kritische vragen. Zeg dat je het onzin vindt. Zeg dat je het prachtig vindt. Juist door met elkaar in gesprek te blijven, kunnen we elkaar misschien een beetje beter begrijpen. Maar iets doelbewust bekladden omdat jij het er niet mee eens bent, is geen discussie meer.
Volgens mij leren we kinderen al vanaf het moment dat ze een beetje kunnen begrijpen wat ‘van iemand anders’ betekent, dat je met je handen van andermans spullen afblijft. Je hoeft iets niet mooi te vinden om het heel te laten. En misschien kijk ik er heel simpel naar, maar ik denk ook niet dat een kind langs het station loopt, het regenboogpad ziet en denkt: “Aha, hier wordt mij een maatschappelijk standpunt opgedrongen.” Volgens mij denkt een kind vooral: “Hé, kleurtjes!” En eerlijk gezegd was dat ook mijn eerste gedachte. Het geeft kleur aan de omgeving. Meer niet.
Totdat volwassenen er blijkbaar zo ontzettend boos van worden dat ze naar de verf grijpen. En dát vind ik misschien nog wel het meest treurig. Want door zo’n pad te bekladden, bewijs je bijna onbedoeld waarom mensen behoefte hebben aan zo’n zichtbaar symbool. Blijkbaar roept het idee dat iemand anders zichzelf mag zijn nog steeds zoveel weerstand op dat een paar gekleurde stenen al te veel kunnen zijn. Je mag tegen zo’n regenboogpad zijn. Echt. Maar laat het dan liggen.
En voor degene die blijkbaar heel graag met verf aan de slag wilde: volgens mij zijn er in Nijkerk genoeg verenigingen, scholen, speeltuinen en kinderboerderijen die vrijwilligers kunnen gebruiken. Misschien moet daar nog wel ergens een hek, bankje of dierenverblijf geschilderd worden. Dan heb je aan het einde van de dag óók verf aan je handen, maar heb je tenminste iets mooier gemaakt in plaats van iets kapotgemaakt.
Want daar zou ik kinderen veel liever iets over meegeven. Dat je niet overal hetzelfde over hoeft te denken. Dat je het hartgrondig met elkaar oneens kunt zijn. Dat de wereld niet vergaat wanneer iemand anders leeft op een manier die jij zelf niet zou kiezen. En vooral: dat we een samenleving niet mooier maken door de kleuren die ons niet bevallen weg te schilderen. We maken haar mooier door elkaar een beetje ruimte te geven.
Nijkerk is mij vijf jaar lang ontzettend dierbaar geweest. Ik heb er prachtige mensen ontmoet, volle zalen meegemaakt en met heel veel kinderen mogen werken. Juist daarom weet ik hoeveel warmte, betrokkenheid en saamhorigheid er in deze stad zit. Laat dát dan het voorbeeld zijn dat we aan kinderen meegeven. Niet: je mag jezelf zijn, zolang ik het ermee eens ben. Maar gewoon: je mag jezelf zijn. Punt.
En misschien kunnen we allemaal wel een beetje meer kleur gebruiken.
- Jeffrey Sanders