Ingezonden brief: De Koopman

12 jan 2015, 12:40 Nieuws
standaard van alles nijkerk boerderijakkers
Google maps

’t Is me bij gebleven; een artikel in de Stad Nijkerk, de woensdag na de verkiezingen. Eigenlijk één van de weinige die ik in al die jaren Stad Nijkerk onthouden heb. Hij is bij me blijven hangen. ‘k Vond het een beetje flauw. Meent hij dit nou echt of is het voor de bühne? Hoeveel procent van zijn omzet zou dit nou schelen? Maakt dit nou echt het verschil? Waarom?

We hebben in Nijkerk een koopman. Laten we hem de kleine koopman noemen. Paar winkeltjes, hotelletje, wat grond, wat gebouwtjes en noem maar op. Ik ken hem nog van vroeger. Als kleine jongen ging ik op vrijdagavond altijd naar hem toe. Eerst naar meneer Enkelaar van de Amrobank, 10 gulden zakgeld storten, en dan door naar Appie in de oude Eierhal. En als m’n vader iets niet kon vinden dan kwam de kleine koopman er aan hollen, liep voor ons uit naar het juiste schap en vulde zo het karretje vol. Vol? Overvol. Karrevrachten vol, wat zeg ik, treinladingen vol zijn vroeger in ons gezin verorberd uit het winkeltje van de kleine koopman. En zijn winkeltje werd groter, zijn winkeltje werd nieuw, het nieuwe winkeltje werd weer groter en groter. En van heinde en verre komen de mensen hier hun geld besteden. Het winkeltje is daarom ook zo lang als mogelijk open voor maximaal rendement. Behalve op zondag. Dan is dit winkeltje gesloten.

We hebben in Nijkerk nog een koopman, laten we die hier de Grote Koopman noemen. Ook Hij heeft in Nijkerk een paar winkeltjes, zo her en der door de stad verspreid. Van allerlei pluimage komen de Nijkerkers naar deze winkeltjes toe. Met rok, zonder rok, met hoed, zonder hoed, ritmisch of niet ritmisch, met de auto, fiets of lopend. Allemaal goedsmoeds omdat de winkeltjes van de Grote Koopman weer open zijn. Van ouds her hoort dit bij Nijkerk. We zijn er mee groot geworden. En het mooie is, ’t is daar nog gratis ook. Hooguit kost het een beetje collectegeld. De openingstijden zijn heel beperkt. Zomaar anderhalf uur per keer. Meestal juist alleen op zondag.

En wat zit me nou dwars aan dat artikel? Waarom wil de kleine koopman ook open op de openingstijden van de Grote Koopman? Zit Nijkerk hier nou echt op te wachten? Is dit de waardering voor de klanten van het eerste uur? Ik snap er echt niks van. Was dat artikel nou echt zo bedoeld of was het alleen een signaal? Maar naar wie dan? Wat wilde de kleine koopman nou eigenlijk zeggen met dat stukje?

Eigenlijk past het helemaal niet bij hem. ’t Past niet bij het vullen van het karretje van vroeger. Dit lijkt meer op Rupsje Nooitgenoeg, maar zo kennen wij onze kleine koopman helemaal niet. Was hij het even een beetje kwijt? Is hij ergens naar op zoek? Kan hij z’n draai niet meer zo vinden?

Al deze vragen komen bij me naar boven, als ik op een avond heel laat in het Nijkerkse stadspark op een bankje zit. Ik denk aan de koetjes die hier vroeger liepen. Aan de eenvoud van de soms stuurse Veluwenaren. Ik vraag me af hoe Nijkerk is geweest in de 18e en 19e eeuw. De ontwikkelingen die enorm hard zijn gegaan. Kijkend naar het grote gebouw van de ABN Amro wat alweer afgebroken wordt. Hoe zou het met meneer Enkelaar zijn? Is het in al die jaren nou beter geworden of niet? Denkend aan de Randstad die oprukt. De wens om de winkels op zondag te openen. De tegengestelde belangen. ’t Is daar waar ik aan denk op dat bankje, als ik plots in mijn ooghoeken wat zie bewegen. ’t Komt uit de schaduw van de tuin van de stoeptegelman. Op de stoep langs de Callenbachstraat loopt iemand. Hij doet zijn best om niet te veel in het licht van de lantaarnpalen te lopen. Zijn voorkeur gaat uit naar de schaduw. Z’n tred is bekend, ook al is het donker. ’t Laat zich raden; ’t is de kleine koopman, weggekropen in zijn jas. Maar wat doet hij daar zo laat op straat? Zou hij een keer lopend naar z’n winkeltje gaan? Bij de rotonde steekt hij echter gauw over naar de schaduw van de Boni. Hij versnelt zijn pas. Ik moet doorlopen om hem bij te houden en zie hem nog net de Venestraat inschieten. Van portiekje naar portiekje vervolgt hij zijn weg. Ik zie hem nog net links het hoekje omschieten de Holkerstraat in.

Dan moet ik echt even opschieten. Daar.. onder de bomen naast de Grote Kerk. Hij voelt aan het kleine deurtje aan de zijkant onder de toren. Opent deze op een kiertje en glipt naar binnen. ’t Is donker. ’t Is bijna midden in de nacht. Alleen bij het orgel brand nog een klein lampje. De organist oefent nog zijn laatste psalmpje. En de kleine koopman gaat achter in een hoekje zitten. Zomaar. Zomaar? Of is hij ergens naar op zoek? Gaat hij misschien onderhandelen over de openingstijden van zijn winkeltje?

Het spel van het orgel zijn nog wel bekende klanken, klanken van vroeger. De tekst weet de kleine koopman echter niet meer. Dat is te lang geleden. Hij is heel diep in gedachten verzonken. Hij zoekt iets, maar wat? En zonder vooraankondiging, gaat er opeens een gestalte naast hem op de bank zitten. En in alle rust ontstaat er een gesprek. Een gesprek tussen de kleine koopman en de Grote Koopman. Allerlei vragen worden gesteld. De antwoorden zijn helder. De kleine koopman begrijpt er steeds minder van. En toch moet hij kiezen, dat is duidelijk. Op zondag open of op zondag gesloten. En dan, als de kleine koopman het echt niet meer weet, slaat de Grote Koopman als een bewogen Vader een arm om de schouder van de kleine koopman: “Luister eens naar het orgel, jongen. Ken je dat versje nog?”

Ik zal met vreugd in 't huis des HEEREN gaan,

Om daar met lof Uw groten naam te danken.

Jeruzalem, gij hoort die blijde klanken:

Elk heff' met mij den lof des HEEREN aan!

’t Is een paar dagen later, als we langs het winkeltje van de kleine koopman rijden. De grote letters met de openingstijden staan er nog steeds, maar lijken kleiner. Net of ze minder belangrijk zijn. En ’t is net of er nog wat anders achter staat: Koopman, bedankt.

Klaas Jelle Hakvoort