Terwijl in heel Nederland het aantal muskusratvangsten daalt, noteert Waterschap Vallei en Veluwe een stijging. In 2014 vingen medewerkers in het werkgebied van Vallei en Veluwe 2727 muskusratten, 373 meer dan in 2013.
Oorzaak is een effectieve werkwijze waarbij bestrijders nog actiever speuren. Ook de landelijke veldproef speelt een rol: een grootschalig wetenschappelijk onderzoek.
Muskusratten komen sinds ruim zeventig jaar in Nederland voor en kennen geen natuurlijke vijand. Het zijn echte gravers. Ze maken gangen en holen langs de waterkant in dijken, kades en oevers van sloten. Die kunnen daardoor inzakken. Dat kan zelfs tot overstromingen leiden.
De muskusrattenbestrijders in het werkgebied van Vallei en Veluwe realiseren meer vangsten per uur dan voorheen. Tegelijk werken ze aan een meer diervriendelijke aanpak. Dit gebeurt mede in het kader van de landelijke veldproef. Dat is een onderzoek in de periode 2013 tot 2016 gericht op hoe de bestrijding van muskusratten in Nederland efficiënter en effectiever kan.
Ambities
“Door de veldproef en actiever speurwerk is het aantal vangsten in ons werkgebied gestegen,” zegt heemraad (dagelijks bestuurslid) Jan Verhoef van Waterschap Vallei en Veluwe. “Tegelijk werken onze muskusrattenbestrijders waar mogelijk aan vermindering van dierenleed.”
Het verminderen van dierenleed in de muskusrattenbestrijding is een ontwikkeling die nu ongeveer vijftien jaar gaande is. Zo brachten de bestrijders rond de millenniumwisseling in de vallen visklepjes aan. Hierdoor blijven grotere vissen zoals palingen gespaard. De vallen zijn sinds ongeveer 2007 allemaal van roestvrij staal. Hierdoor is de slagkracht groter zodat de muskusrat niet onnodig lijdt. En sinds enkele jaren zijn de vallen standaard voorzien van een otterring, om argeloos rondzwemmende otters te sparen.
Verhoef: “De waterschappen zoeken voorturend naar een situatie waarin waterveiligheid en een minimum aan dierenleed hand in hand gaan. En door de populatie goed onder controle te houden, vangen we veel minder muskusratten dan voorheen vaak het geval was.”
bijdrage van Theo Brand