Ergens in 1962. De tweede klas van de lagere school. Mijn klas.
Een klasgenoot werd beschimpt, omdat hij twee verschillend gekleurde sokken droeg. Bijna iedereen, voor zover ik me kan herinneren, moest lachen. Ik niet. Ik begreep niet waarom alle aandacht naar deze arme sloeber werd getrokken en er geen enkel medelijden werd getoond. Ik wil niet de rol van het heilige boontje op me nemen, maar zo voelde ik het oprecht. Iemand werd plat uitgelachen. Ik ben gek op humor, maar echt leedvermaak smaakt bitter, zeker als er geen verweer is. Het slachtoffer: een kind dat vol ongeloof de laffe opmerkingen over zich heen moest laten rollen. In die jaren was er nog volop armoede. Truien met een gaatje werden hersteld en uiteindelijk doorgegeven aan de buurjongen. De hond of kat des huizes at met de dagelijkse pot mee. Bloemen werden vaak gewoon langs de weg of sloot geplukt en goede sokken werden zeker niet weggegooid. Dan maar twee verschillende sokken dragen; met een korte broek valt dat zeker op. Ik weet de naam van de zogenaamde meester of juffrouw niet meer, maar ik weet wel dat de opmerkingen vanuit die hoek begonnen. Ik voel alsnog schaamte, omdat ik destijds niet uitsprak dat ik deze vertoning pijnlijk vond. Zo is mijn pad bezaaid met momenten waarop ik had moeten ingrijpen en dat niet deed. Ik grossier hierin. Waarschijnlijk ben ik daardoor ook kampioen van de schaamte.
Te veel lafheid heeft dus mijn levenspad gekruist. Het resultaat is dat ik nu zeer alert ben op dit soort momenten. Veel te laat natuurlijk, maar beter laat dan nooit. Want is schaamte uiteindelijk niets anders dan het morele kompas dat achteraf begint te knagen? Een filosoof sprak ooit over de banaliteit van het kwaad, maar misschien bestaat er ook zoiets als de banaliteit van het toekijken: het zwijgen dat onbedoeld medeplichtig maakt. Die twee verschillende sokken uit 1962 waren destijds geen modegril; dit was de naakte realiteit van een kwetsbaarheid en onmacht die ik verzuimde te verdedigen. Mogelijk werd er gelachen, omdat het beschermde tegen de angst om zelf buiten de groep te vallen. Maar door die angst nu recht in de ogen te kijken, bloeit mijn oude lafheid op tot een late vorm van voorgenomen moed.
Het verleden herstellen kunnen we niet, maar we kunnen wel weigeren om de geschiedenis zich in het klein te laten herhalen. Deze alertheid is vandaag geen goedmakertje voor gisteren, maar een eerbetoon aan die jongen van toen. Mijn excuses alsnog aan deze klasgenoot. Zodra we echt durven op te staan tegen ongelijkheid en onrecht, weven we de kleine en grote gaten in ons eigen bestaan mogelijk nog een beetje dicht.
Een paar jaar geleden heb ik nog getracht een klasreünie te organiseren, maar die is uiteindelijk niet van de grond gekomen. Misschien maar goed ook. Ik ben veel te dramatisch aangelegd. Uiteindelijk heb ik zegge en schrijve één klasgenoot kunnen vinden met wie ik wel nog een kopje koffie heb gedronken. In dezelfde klas zaten destijds bovendien drie betoverende meisjes op wie ik heimelijk verliefd was - voor zover die leeftijd dat toestaat. Het lot was daarbij zeer welgevallig door mij enige jaren geleden op internet een foto te laten vinden waarop uitgerekend deze drie schoonheden, hand in hand, staand op het schoolplein, lachend naar de toekomst kijken. Hoe bijzonder zijn de wegen van de lieve Heer. Vanaf hier, een lieve groet aan deze dames. Ik vermoed ook zomaar dat zij net als ik bovenstaande herinnering op een gelijke manier bij zich dragen.
En toch, wie weet welke slapeloze nachten een ontmoeting na meer dan zestig jaar zou hebben opgeleverd. Natuurlijk is het vreemd om te zeggen dat ik hen mis. Maar toch voelt het zo. Zij zijn altijd dichtbij gebleven.
Ik wens hen al het goede.