Veel mensen denken dat schilderen en Veluwse sagen (en het bijbehorende spokenonderzoek) mijn grote passies zijn. Maar mijn grote passie, dat zijn kloostertuinen.
Nu kun je in kloostertuinen uitstekend schilderen. En waarschijnlijk is het ook een goede plek voor spokenonderzoek. Maar kloostertuinen geven vooral rust. En diepgang. Maar goed, als ik over diepgang ga schrijven, dan verdrinkt iedereen.
Het is al moeilijk genoeg om te beschrijven waarom ze diepgang geven, die kloostertuinen. Omdat dat vooral een gevoel in jezelf is. Het is niet echt concreet te maken. Je kunt het niet inpakken en weer uitpakken en zeggen: ‘Alsjeblieft, hier is je diepgang.
Leg het maar in de fruitschaal.’
Nou ben ik niet katholiek. En aan de rooms-katholieke leer op zich hecht ik niet veel geloof. Aan de christelijke leer überhaupt niet.
Misschien wel de zogeheten mystiek. Want helemaal ongelovig ben ik ook weer niet. Ik geloof zeker in een geestelijke wereld en geestelijke wezens. Dat er meer is, zogezegd. Maar God op zich, dat is mij een beetje te hoog gegrepen. Daar heb ik niet zoveel mee. Bovendien merken we niet zoveel van een eventuele God. Al geloof ik ook niet dat alles uit toeval is ontstaan.
Echter, laten we het niet hebben over wat ik al of niet geloof. Dan wordt het een saai betoog.
Maar de stilte van kloostertuinen, dat vind ik belangrijk. Dat is toch anders dan de stilte in sommige gewone tuinen. Een grasveld, een schutting, een paar hortensia’s, dus de gewone tuinen, die missen mystiek. Al moet ik ook weer oppassen niet weg te zweven.
Ik houd uiteraard ook veel van oude katholieke kerken. Maar niet bijvoorbeeld van de Dom in Aken. Daar is het me veel te druk. Het moet er wel een beetje stil zijn. Enkele oude vrouwtjes die ergens op een kerkbank zitten, dat kan ik nog wel verdragen. Als ze maar niet met hun basgitaar gaan oefenen. En harde winden laten, dat moeten ze ook niet doen.
Maar bij de grote dommen, zoals de dom van Aken of Keulen, daar zie je vooral toeristen in toeristen-outfit. Wandelschoenen, een rugzak, fototoestel, telefoon omhoog. Dan is de sfeer meteen weg. Vind ik.
Maar kloostertuinen moet je serieus nemen. Je gaat niet alleen maar voor de gezelligheid. Dat je opleeft als er een non over de paden loopt. Dat je denkt: wat gezellig. En dat je denkt: tijd voor een genoeglijk praatje. Dan zal zij misschien zeggen: “Wij zijn van de zwijgenden. Dit is het enige wat ik zeg.”
In ieder geval gaat het bij kloostertuinen vooral om de stilte. Maar goed, daarover straks meer.
Mijn schoonvader was erg katholiek. Nou ja, erg? Alweer lang geleden overleden, dat is zijn huidige staat van zijn. Zijn begrafenis was ook uitzonderlijk katholiek. Veel wierook, veel kaarsen, kerkelijke hymnen en zwarte gewaden. Ik vond het een beetje over de top. Ik zie het toch meer als een vervulling van een behoefte aan ceremonieel dan dat het werkelijk waarde heeft. Hoewel ceremonieel zeker een betekenis kan hebben.
Ik moest trouwens niet met mijn schoonvader in gesprek gaan over het roomse geloof. Dat ging doorgaans niet goed. Ik ben daarvoor namelijk weer iets te rooms-ongelovig. Dat eindigde meestal in twee rooie koppen en gebonk met de vuist op tafel. Omdat geloofskritiek voor hem niet gemakkelijk was.
“God bestaat niet.”
“God bestaat wel.”
“God bestaat niet.”
“God bestaat wel.”
Zo diepgaand analyserend konden onze gesprekken zijn. Na drie uur welles-nietes hadden we het meestal wel gehad. Maar geen van ons beiden gaf ooit toe.
Maar als het over iets anders ging, dan waren we weer maatjes. Dan hadden we maatgevoel. Al vond hij wel dat ik mijn vrouw, die aan schizofrenie leed, anders moest “aanpakken”. Ik moest streng zijn. Want het was zijn dochter. En voor haar was hij vroeger ook vaak streng. Toen ze tiener was en een eigen wil had. En samen met haar zus stiekem uit het bovenraam klom om in disco Woolloomooloo te gaan feesten. Ook bekend als Hare Majesteits Eerste Discobar of de Woo.
Streng voor haar zijn? Mooi niet.
Maar die verdraaid aantrekkelijke kloostertuinen. Daar hadden we het over.
Ik ben ooit lid geweest van de rooms katholieke kerk. Niet van huis uit, want mijn ouders waren atheïst. Maar omdat het katholieke geloof me toch wel aanspraak. Toen ik zo’n beetje veertig was. Zoals gezegd, niet zozeer de geloofsleer, maar de mystiek. Ik was vooral gefascineerd door de mysticus Johannes van het Kruis. Die door intens gebed, zeg maar meditatie, andere bewustzijnstoestanden heeft bereikt. Dat vond ik intrigerend. Ik hoopte in de mis, en in contact met andere katholieken, daar iets van terug te vinden.
Dat is totaal mislukt. In de koffiekamer, achteraf na de mis, sprak er niemand ook maar één woord over mystiek. Dus na ongeveer een maand bij de kerk was ik weer vertrokken.
Ook mijn schoonzus was behoorlijk katholiek. Ook alweer een tijd geleden overleden. Haar vader zei altijd: “Zij is een beetje kinderlijk in het geloof.”
Ook zij leed aan schizofrenie, net als mijn echtgenote. Maar voor haar was het soms een grote lijdensweg. Dit omdat ze nogal eens tamelijk kwaadaardige en pesterige stemmen hoorde. Gelukkig niet altijd even intens. En de antipsychotica hielpen wel om die stemmen een beetje te dempen.
Het katholieke geloof gaf haar troost. En vooral de heiligen gaven haar vertroosting. Zij was daar zeer in geïnteresseerd. Waarmee ze wel met mij bofte. Want ook ik vind heiligen reuze interessant. Wij, mijn schoonzus en ik, gingen veel met elkaar om. Toch ook wel omdat we een gevoel over het roomse geloof deelden. Niet zozeer de geloofsinhoud, maar het gevoel. Nogmaals: de mystiek.
Ook heiligen gingen doorgaans een lijdensweg. Niet altijd. Maar vaak wel. Zeker de heiligen van lang geleden. Maar zij zijn uiteindelijk op de juiste plek terechtgekomen. In de zaligheid, om het maar zo te zeggen. En dat gaf mijn schoonzus troost.
Maar de kloostertuinen. Kom ik daar nog wel aan toe?
Over het katholieke geloof gesproken. Ik moet zeggen dat ik jaren geleden een zwak had voor grootseminarie Rolduc in Kerkrade. Het is nu een hotel en dus ten val gekomen. Alsof je een middeleeuws kasteel ombouwt naar een meubelboulevard. Het is niets meer.
De eerste keer dat ik daar kwam, was het tijdens een ontmoetingsweekend van het bedrijf waar ik werkte. Toen was het nog niet zo erg gesteld met Rolduc. Er waren alleen de medewerkers van het bedrijf, die de boel op stelten zetten en de sfeer verpestten. Afgezien van het bedienend personeel. Nou ja, dat verpesten viel wel mee. Maar ’s avonds was er een disco. Maar ik wou naar buiten. De rooms-katholieke stilte opzoeken. En in het bijzonder op het kerkhof gaan zitten.
Nou moet ik eerlijk zeggen: ik had twee joints gerookt. Ik had in Utrecht op straat een zakje met marihuana gevonden. Wie verliest nou zijn hasj? Dat spul werkte wel.
Een vrouw, die mij blijkbaar leuk vond, rukte nog aan mijn arm om te gaan dansen. Maar ik kon mij gelukkig los worstelen en naar buiten vluchten. Je hoorde buiten nog wel het vage gedreun van die disco. Maar de stilte wist het uiteindelijk toch te winnen. Ik trad toe tot de mystieke sfeer. En ik had geen enkele behoefte meer aan medemensen. Heerlijk.Toevallig was het ook nog volle maan.
Zo hebben de katholieke sferen mij vaak bezocht.
Maar waarom zijn kloostertuinen zo bijzonder? Niet alleen omdat ze doorgaans goed onderhouden worden. Over het algemeen door vrijwilligers. Of omdat ze bij droogte met wijwater worden besproeid.
Kloostertuinen zijn plekken met een verleden. Vaak erg oud. Zo werd de Abdij van Susteren gesticht rond 714.
En de stilte is er bijzonder. Je wordt je bewust van de kleinste geluiden en uiteindelijk ook van je eigen gedachten. Kloostertuinen waren en zijn vaak functioneel. Zo vind je er symbolische elementen, wat de indeling betreft. Zoals een kruisvormig binnenpad, een bron, en een grote oude boom in het midden. En speciaal uitgekozen planten, zoals geneeskrachtige kruiden.
Maar natuurlijk vooral hun beslotenheid. Je bent er afgeschermd van de wereld. En misschien ook even van de wereldproblemen.
En ten slotte, al klinkt het wat zweverig, kloostertuinen geven een suggestie van het onzichtbare. Ze hebben een ziel. Je kunt niet precies aanwijzen wat je voelt. Maar het is intrigerend.
Bijdrage van Hans den Haan