Hans den Haan: Twee witte eenden

15 mrt , 9:00Columns
2022 01 07 hans den haan 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 6 1 1
Ik vertelde mijn neefje over Alice in Wonderland. Die ooit in een konijnhol afdaalde, kleiner dan klein werd en in het onderaardse rijk Wonderland allerlei avonturen beleefde.
“Inmiddels was het vele jaren later. Nadat ze al lang en breed volwassen was en dik en breed was grootgegroeid werd Alice nieuwsgierig naar het konijnenhol waarin ze ooit als kind naar beneden gleed en in Wonderland belandde. Het was in het duingebied nabij de zee van Drevenbos.
Het was niet moeilijk het hol te vinden, want er waren niet veel holen meer bewoond. De meeste onderaardse woningen zagen er ingestort uit en vertoonden een bordje “Te huur. Zelf uitgraven”. Dus momenteel buiten gebruik. Of mogelijk was Wonderland opgeheven, dat kon ook. Maar dat leek Alice niet waarschijnlijk.
Het hol was snel gevonden. Alice zou graag weer eens afdalen op zoek naar de geflestbleekte kat. Maar inmiddels was ze ruim tot aan één meter tachtig groot gegroeid. Feitelijk tot en met. Haar bijenkorfkapsel niet meegerekend. En bovendien voorzien van een brede heup. Zeg maar een dikke kont. En een krimpdrankje was niet beschikbaar.
Ze kon alleen haar blote voet erin steken. In dat hol. Maar tot haar verbazing was er daarbinnen een wezen dat aan haar tenen knabbelde. Daar schrok ze van.
Dus stak ze vervolgens haar hand in het gat en ze voelde iets zachts. Nog net niet donzig. Maar met een hard tweedelig ding aan de voorkant. Het was een dierlijk wezen, vermoedelijk met verenpak.
Ze greep het beest bij het nekvel en trok het naar buiten. Het bleek een witte eend.
De eend sprak kwaaktaal. Feitelijk kwartaal. Iets wat Alice toen niet meer kon verstaan. Maar het betekende: “Verdraaid blij dat je me uit dit muffe hol getrokken hebt, want zelf kon ik er niet uit komen.”
Zo doe je nog eens een goede daad.
Maar de eend wou nog iets zeggen. Hij stak twee vleugels op. En Alice, slim als ze was, begreep dat er nog een eend in het hol zat, die er waarschijnlijk ook niet zelfstandig uit kon komen. Ze hoorde ook een kwaakgeluidje daar in de diepte. Ze stak opnieuw haar hand naar binnen en ja hoor. Ze sleepte een tweede witte eend naar buiten.
Zo was er dus een eendenduo. Beide wit.”
Dit vertelde ik mijn neefje Sebastiaan om uit te leggen waarom er tussen alle vrolijk gekleurde eenden in de buurtvijver twee volkomen witte exemplaren rondzwommen. Iets wat weer wat lastige vragen uitlokte. Zoals het vraagstuk waarom Alice haar kont zo dik had laten uitgroeien. Nou misschien elke dag extra pudding, dubbele porties pannenkoek en strategisch veel zitten.
Het verhaal over Alice had ik verzonnen. Maar de eenden waren echt. En ze zwommen rond in de buurtvijver. Behalve op die momenten dat ze net lekker zaten te zonnen op de oeverkant.
Ik heb zelden twee eenden gezien die zozeer samen optrokken. Ze waren een twee-eendheid. Een kwaakspan.
En het ontlokte bij mij een kort gedicht.
Als de avond roze over de vijver komt staan,
Gaan zij nog steeds zij aan zij zelfvoldaan.
Twee witte eenden nooit alleen.
Waar de één gaat, glijdt ook de ander heen.
Ik nodigde menigeen uit om dit eendengeluk te komen bekijken. Vooral kinderen kwamen bij mij langs. Eerst trokken wij gezamenlijk naar de vijver. En daarna was er een eendenfeest. Daar deden wij onder meer een badeendjesrace. Kleine badeendjes in een waterbak en blazen maar. En ook een “zoek de verloren eendjes”. Ik verstopte dan kleine eendjes in de tuin. En uiteraard hadden we eendenhapjes. Zoals cupcakes met gele topping en een snoepsnavel.
Maar niet alleen de kinderen. Ik wilde mijn eendjes zelf natuurlijk ook wel eens verwennen. Misschien houden witte eenden van witte chocola. Dus ging ik naar de Welkoop en ik vroeg of ze eendenvoer hadden voor witte eenden.
“Niet speciaal voor witte eenden. Maar wel voor alle vijvereenden. En voor de grote-zaagbek-eend ander voer. Want die eet eigenlijk alleen maar vis. Maar gefermenteerde ansjovis lust hij ook.”
“Vis? Is hij dan meestal buitengaats?” vroeg ik.
“Nee, alleen heldere meren, brede rivieren en stuwmeren. Aan kanalen heeft hij een hekel, want hij houdt niet van kaarsrecht.”
Duidelijk. Die mevrouw van de Welkoop wist er alles van.
“Bent u ook gespecialiseerd in dierenuitwerpselen?” vroeg ik nog. Maar zij was alweer druk bezig muizenvallen aan het testen.
In ieder geval mochten de eenden maar een heel klein bakje voer. Want anders zouden ze lui worden en te beroerd om ook zelf voedsel te zoeken.
ik moet zeggen dat ik eens in het park iemand betrapte op broodverspreiding onder de eenden. En brood is slecht voor eenden. Het bevat te veel vet en zout. De eenden worden dik en missen voedingsstoffen. Dus belde ik de politie. Ze konden hem op heterdaad betrappen. Hij zit nu in voorarrest.
Maar telkens als ik langs de vijver liep, of de vijver frequenteerde zoals m’n oma altijd zei, barstte ik bijna in tranen uit van geluk. Zoals die eenden het met hun tweeën bijzonder goed hadden. Het was ontroerend.
En dan zong ik het Poelelied:
Poele, poele, pieter pat.
Liefde maakt het water nat.
Spetter, spatter, snavelzoen,
Onder ‘t licht van de ronde maan zo groen.
Poel, poele, kijk eens aan.
Twee eendjes samen voortgegaan.
Kwaak kwaak hier en kwaak kwaak daar.
Liefde dobbert met elkaar!
En ik hoopte natuurlijk dat het in de vijver aanwezige snavelkoor van diverse pluimage en verenpak het lied muzikaal zou begeleiden. Zeg maar omlijsten. Hoe deden ze dat in Wonderland?
Maar eens komt de droefenis. Op een toch al niet echt vrolijke dag vol grijze regenwolken trokken de witte eenden niet meer samen op. Tien meter uiteen. Op z’n minst.
Ik belde de nationale ruzie-databank. Hoe zit het met die eenden? Ach meneer, de paartijd zal wel voorbij zijn. Ja, zo lust ik er nog wel een paar.
Wij vragen ons natuurlijk af wanneer een twee-veren-op-één-buik-stel uiteen gaat, wat er zich dan heeft afgespeeld. Ze zouden ruzie kunnen hebben over de vraag wie voorop zwemt.
Of te lang bij een andere vijver blijven hangen.
“Het is drie uur en je zit nog steeds met die zwanen te kletsen.”
Of te luid kwakeleren om vijf uur ’s ochtends.
En natuurlijk flirten met andere eenden.
Of eventueel een onenigheid over het nestinterieur. De een wil het minimalistisch houden, terwijl de ander er plastic dopjes in wil verzamelen.
Ik vroeg het een eenden-expert. Hij zei: “Niet getreurd. Eenden zijn seizoensmonogaam. Rond eind mei gaan ze uit elkaar.”
Oké duidelijk. Maar het was eind november.
Maar op een bepaald moment zei ik gewoon tegen mezelf: “Stop hoofdbrekens.”
Begin januari zag ik opeens nog maar één witte eend. Ik schrok, want het was vogelgrieptijd. Maar gelukkig was de missing duck na een paar dagen weer terug. Al trokken ze nog steeds niet samen op. Misschien had hij wel een relatie geprobeerd met een andere eend in een andere vijver. Maar viel het tegen.
Het duurde echter niet lang tot er weer een was verdwenen. En een week later zelfs allebei.
Het is inmiddels maart. Maar nog steeds kijk ik met gespitste ogen als ik langs andere vijvers fiets. Of ik daar toch nog een witte eend zie zwemmen. Of zelfs twee. Of mooier nog: zij aan zij.
Maar tot nu toe niets. Ik houd jullie op de hoogte.
Bijdrage van Hans den Haan
columnisten
loading

Loading articles...

Loading