Vandaag ga ik het hebben over ufo’s. Je weet wel die vliegende ontbijtbordjes met knipperlichtjes. Al leken ze in de film “Close encounters of the thirth kind” meer op ijsjes. Maar ze zijn er in verschillende soorten en maten. Zelfs vliegende hondenhokken zijn waargenomen. Zonder honden.
Tegenwoordig worden ze feitelijk UAP’s genoemd. Unidentified Anomalous Phenomena. Dit om het stigma van de vliegende groene (feitelijk grijze) mannetjes weg te nemen. Er wordt, om precies te zijn, alles mee bedoeld dat rondvliegt en in eerste instantie vreemd is. Maar ook dat wat zich onder water beweegt. En vreemd is. En dan bedoel ik zeker niet vreemde vissen. Die zijn er ook. Maar die zwemmers blijken dan toch al snel vissen te zijn. Zeker als ze “blub blub” doen. En vinnig zijn. En gekieuwd.
Tot het verschijnsel UAP horen ook dingen die niet vliegen, maar op het land rondlopen. Of zweven. En dan heb ik het niet alleen over de mannen in het zwart. Dan heb ik het ook over allerlei folkloristische figuren. Zoals elven en aardmannetjes. Als het maar niet in het grote boek van diersoorten voorkomt.
Spoken daarentegen rekenen we weer niet tot de UAP’s. Er zijn grenzen. Die horen tot de spookverschijnselen.
Maar zijn UAP’s feitelijk niet ook spookverschijnselen? De ufoloog Hans van Kampen meende van wel. Hij gaf een van zijn ufo-boeken daarom de titel “Spooklicht”.
De vraag is natuurlijk: Heb ik zelf ooit een ufo gezien? Om maar gewoon bij het oude begrip ufo te blijven.
Als kind was ik al zeer in ufo’s geïnteresseerd. En toen ik, ik denk als elfjarige, eens ziek op bed lag, zag ik door het raam een witte schijf overvliegen. Ik kon hem maar even zien.
Ik heb er nog een duidelijk beeld van. Maar het is bekend dat herinneringen niet betrouwbaar zijn. Dat blijkt bijvoorbeeld als je op de plek van bepaalde jeugdherinneringen komt, waar je al jaren niet meer bent geweest. Dan blijkt opeens alles anders te zijn dan je herinneringen je voorschotelen.
Bovendien zou het toch ook een misinterpretatie kunnen zijn geweest. Zoals een overvliegende weerballon van onderen waargenomen. Het is te lang geleden om er zeker van te kunnen zijn dat het iets vreemd was. Maar als romanticus blijf ik de ervaring wel koesteren. Het zag er toch duidelijk uit als een vliegende schijf.
M’n tweede ufo zag ik op kerstavond 1976 te Elspeet. Ik was die kerstmis een paar dagen wat aan het rondwandelen op de Veluwe. Het was koud die avond. En onder het wolkendek zag ik een licht vliegen, dat vreemde haakse bochten maakte. Ook maar heel even. Maar het vloog zo te zien echt keihard. Harder dan een vliegtuig zou kunnen. Alhoewel het natuurlijk lastig was de hoogte waarop het vloog in te schatten.
Op zich dacht ik: oké, ufo gezien, lekker verder wandelen. Maar toen ik de dinsdagochtend na tweede kerstdag in Apeldoorn vanaf m’n hotel naar het station liep, zag ik iets verrassends. Uit een krantenrek voor een boekhandel stak een Telegraaf met op de voorpagina de kop “Groot alarm door vliegende schotels”. Dat was vreemd. Ik was dus die kerst niet de enige die zoiets gezien had.
Het bleken overigens niet echt vliegende schotels. Maar rondvliegende gekleurde lichten aan het eind van de landingsbaan van vliegveld Deelen. Er stond geen foto bij van deze lichten, maar van enkele militairen die met geweer in de aanslag naar iets in de verte stonden te staren.
Er was ook niet echt sprake van groot alarm. Maar de soldaten hadden het wel vreemd en griezelig gevonden.
Maar goed, mijn ufo was dan toch echt wel een ufo geweest.
Overigens werden de dag voor kerstmis in de nacht twee gezinnen op de A28 tussen Amersfoort en Zwolle de gehele route achtervolgd door een stelsel van drie lichten. Het was destijds nog erg rustig ’s nachts op de A28.
Daar zijn nog wel de nodige grappen over gemaakt. Maar als je erover leest, dan krijg je toch wel het idee dat het iets serieus was. En echt beangstigd. Een dochter heeft aan de ervaring een fobie voor vuurtorens overgehouden. Gelukkig zijn die lichtbakens er steeds minder. En het was in de tijd van meer ufo-meldingen. Want dat ging na die kerst nog zeker een week zo door. Met veel mensen die iets hadden gezien. Maar daar kunnen natuurlijk ook veel misinterpretaties van gewone dingen bij geweest zijn. Niet alle meldingen zijn onderzocht.
Maar de grote vraag is natuurlijk: gaat het echt om buitenaards leven? Die kans is uiteraard niet zo groot. De afstanden tot andere eventueel bewoonde planeten is zo onmetelijk groot. Het is überhaupt onmogelijk deze afstanden binnen een redelijke tijd te overbruggen. Met wat voor techniek dan ook. Bovendien, waarom zouden buitenaardse wezens dan zoveel op mensen lijken? Compleet met armen, vingers, benen, twee ogen bovenin het hoofd, een neus en een mond daaronder. Weliswaar grijs van kleur, en enigszins anders van vorm. Maar ze lijken toch wel sterk op ons. Dat zou niet erg waarschijnlijk zijn. Je denk toch eerder aan een soort sprekende duizendpoten.
Maar het zou nog kunnen dat buitenaardsen zover gevorderd zijn in hun technische ontwikkeling dat ruimte op zich voor hen geen probleem meer is. Dan komen we uit bij het ingewikkelde verhaal van non-lokaliteit. Het EPR-experiment. En andere dingen die destijds bij de Teleac-cursus “fysica voor beginners” zo goed werden uitgelegd. Zo goed dat zelfs ik het snapte.
Afstand bestaat dan niet echt, maar is slecht een manier waarop wij het universum waarnemen.
Sterker nog: er is een zogeheten niet-materiële wereld, waarin je in een milliseconde miljarden kilometers kunt afleggen. Het enige wat je hoeft te doen is: je vliegende schotel dematerialiseren, of feitelijk omzetten naar niet-materiële stof. En vervolgens door de niet-materiële wereld in een poep en een zucht een honderd biljoen kilometer of meer afleggen. En eenmaal op Aarde gekomen moet je dan de vliegende schotel, of wat dan ook, weer materialiseren. Dit is geen fysica, maar hogere science-fiction-kunde.
Waarschijnlijk is dat ook gebeurd met al die sokken die we zijn kwijtgeraakt.
Er wordt ook wel eens beweerd dat het gewoon mensen zijn, die zogeheten ufonauten. Maar dan uit de verre toekomst. Die in staat zijn tot tijdreizen. En die er ook wat anders uitzien dan wij, omdat ze verder geëvolueerd zijn. En die in de huidige tijd een kijkje komen nemen. Of een nieuw ras kweken. Waar de vele ontvoeringen door aliens op wijzen. De alien abductions.
Zo kun je heel wat af fantaseren. Maar dat ufo’s bestaan, dat wil zeggen, vreemde vliegende objecten die niet verklaard kunnen worden, is iets dat zelfs de regering van de VS heeft toegegeven. Er zijn zelfs video-opnamen van, afkomstig van het Amerikaanse leger. De zogenaamde vliegende tictacs rond vliegdekschepen. Ze zien eruit als grote tictac-snoepjes, vliegen rondom straaljagers, en ze verdwijnen uit beeld met snelheden van meer dan 20.000 kilometer per uur.
De vraag is echter: wat is het nut om zomaar een beetje in de buurt van vliegdekschepen rond te vliegen en vreemde manoeuvres te maken? Waarom doen ze dat? En het zouden natuurlijk een soort intergalactische drones kunnen zijn. Ze hebben ook geen raampjes.
Maar het zijn duidelijk ruimte-objecten. Maar er zijn ook ufo’s die niet meer zijn dan een lichtverschijnsel. Soms zelfs lichtbollen. Hoe moeten we dat zien? Kunnen we ruimte-objecten en lichtbollen op één hoop gooien? Of gaat het om twee totaal verschillende dingen?
De ufo-auteur John Keel beschreef de lichtbollen als een soort levende wezens. Als je er met een zaklantaarn op schijnt, dan wijken ze uit. Terwijl dat met ruimte-objecten heel anders is.
Maar ook lichtbollen treden tevoorschijn uit een niet-materiële wereld.
Maar zijn het twee verschillende dingen? Die lichtbollen en ruimte-objecten. Het antwoord is “ja”. Het zijn twee verschillende dingen.
Zo blijven we met een raadsel zitten. Wie exact weet hoe het zit, mag zich melden.
Bijdrage van Hans den Haan