Hans den Haan over “De hazelworm”

Foto:

De Gortelseweg loopt vanaf Vierhouten in oostelijke richting. Bij de afslag naar Gortel gaat hij verder als Vierhouterweg.

En vervolgens wordt hij de Oranjeweg. Zo laat hij zijn verschillende gezichten zien.

De Gortelseweg is nu in het nieuws omdat de plaatselijke bewoners vinden dat het er autoluw moet worden. Nu passeren er duizenden auto’s per dag op deze smalle bosweg. En dat is iets waar bos niet van houdt.

Vroeger, toen ik nog een kind was, huurden wij met Pasen geregeld een vakantiebungalow op een landgoed gelegen langs de Gortelseweg. Op het terrein met bungalows woonden twee dames in een groot landhuis. Een moeder en een dochter. Wij noemden hen altijd de dames Eger, hoewel ze zo niet heetten.
Kinderen mochten dat huis niet in als we bij vertrek gingen afrekenen. Want dat gaf viezigheid in huis.

Rondom hun huis stonden tussen de bomen vier vakantiehuizen. Eén groot huis met een rieten dak en drie wat kleinere. Maar naar de huidige vakantiebungalow-maatstaven waren dat ook best grote huizen. We vierden er vakantie te midden van het bos. De andere huizen waren voor ons niet zichtbaar wegens de aanwezigheid van bomen.
Het was in de jaren zestig en ik was een jongetje met een korte broek. Ook op kille dagen.

Rondom is er het Vierhouterbos. Dat was in jaren zestig een soort wildpark. Zoveel zwijnen en herten zaten daar. Als we er gingen wandelen, dan zagen we al na een paar minuten een wild zwijn.
Het Vierhouterbos was in die tijd het eigendom van een stichting. Je mocht er alleen maar in met een wandelkaart. Die kostte één gulden. Dus dat was best te doen.
Later is het bos verkocht aan Staatsbosbeheer. En die hadden een heel ander wildbeleid. Wild werd er aanzienlijk schaarser. Zeker nadat de rasters rondom het bos waren verwijderd. Een beleid op zowat de hele Veluwe. Met uitzondering van onder meer het Kroondomein en park de Hooge Veluwe.

De vakanties in het Vierhoutens struweel waren voor mij een geluksbrenger. Zeker omdat ik toen al erg geïnteresseerd was in verschillende dieren en planten. De zogeheten biodiversiteit. In het bijzonder de vogels. En toen ik een keer een hazelworm in het bos tegenkwam was het al helemaal feest. Een grote hagedis zonder poten. Die moest mee naar huis.
Gelukkig was er een grote kartonnen doos beschikbaar. En daar kon hij in.
Maar er moest natuurlijk wel wat bosaarde in die doos. En bos-attributen, zoals dennenappels en eikenblaadjes. Want dan had hij het naar zijn zin. Wat natuurlijk niet het geval was. Welke hazelworm wil er nu in een doos?

Dus richtte ik een soort superkijkdoos in met daarin een boslandschap. Maar veel groter dan een schoenendoos. Maar niet zo groot dat hij niet meer te tillen was. Of zo groot dat er opeens een stuk Vierhoutens bos verdwenen bleek. Bomen pasten er ook niet in. Maar dat vond onze hazelworm vast niet erg.
Op de bovenkant werd een vel doorzichtig plastic geplakt, zodat hij licht had en eventueel een boek kon lezen. Hij was immers geen mol.
En er werden natuurlijk gaten in dat plastic vel gemaakt, want een zuurstofapparaat hadden we voor hem niet klaar liggen. Maar die gaten mochten ook weer niet zo groot zijn dat er insecten doorheen konden kruipen.
Want toen kwam het. Hij moest natuurlijk ook nog wat te eten hebben. In het grote natuurboek werd opgezocht wat hazelwormen zoal eten. Een boterham met kaas zou niet werken. Het waren insecten. Die vond hij lekker. Met peper en zout.
Dus ging ik zijn eten verzamelen in het bos. Ik weet niet meer welke insecten ik er allemaal had in gestopt. Maar het waren er wel veel. Hij moest het goed hebben. Lekker kunnen smullen. Keverbuikjes en hommelstaartjes.

Het ging wel alleen maar om de rit naar huis. Een paar uurtjes in onze oude Volkswagen en dan zou hij weer de vrijheid krijgen. In een terrarium thuis. Dus een betrekkelijke vrijheid.
En zo reden wij naar huis met op de achterbank een doos met één hazelworm en heel veel insecten.
Mij deerde het niet. Maar mijn zus vond het eng. Ze dacht aan al die insecten die tijdens de reis mogelijk uit de doos zouden kunnen kruipen. Daar hield mijn zus niet van.

Maar eenmaal thuis durfde ik de doos niet meer open te maken. Toen vond ook ik het opeens griezelig. Ik had natuurlijk flink moeten zijn. Want dat was de redding geweest van de hazelworm.
Een paar dagen later heeft mijn moeder de doos alsnog geopend. De hazelworm was niet meer. Maar sommige insecten hadden een groot vermogen om te overleven. Die vlogen haar lachend tegemoet.
Mijn zus heeft er uiteindelijk bij haar examen mulo een opstel over geschreven. Over dit hazelworm-avontuur. Ze kreeg een tien.

Jaren later wou ik het Vierhouterbos nog eens bezoeken. Je had toen nog steeds een wandelkaart nodig om erin te kunnen. Die kon je halen bij de boswachter. Die woonde aan de rand van het bos in een soort houten boshuis. Dat huis kun je tegenwoordig als vakantiewoning huren. De boswachter woont er al lang niet meer. En hij is waarschijnlijk ook niet meer onder ons, gezien zijn leeftijd destijds.
Ik trof de boswachter voor zijn huis aan. Met wat bosmedewerkers. Een dikke vent met camouflagekleding aan zijn lijf. Wat niet zou helpen. Want hij was zo buikig dat het wild hem toch wel zou zien.
Maar het was zaterdag en dan werden er geen kaarten verkocht. Ik werd wel een beetje boos. Wat een onzin. Waarom was er een weekendblokkade? Zondag kon ik me nog voorstellen. Maar zaterdag?
Ik zei zoiets als “wat idioot”. En dat hij er redelijkerwijs voor zou moeten zorgen dat de mensen in ieder geval op zaterdag met een kaart het bos in konden. Want dat was “normaal”.
Dat zag hij als een bevel. (En dat was het ook.) En hij liet zich niet bevelen.
Uiteindelijk zei hij: “Ik ga u nooit meer kaarten verkopen. U mag mijn bos niet meer in.”
En ook zoiets als: “Wegwezen nou.”
Dus ging ik maar zonder kaart het bos in. Nog nooit zoveel wild gezien. Meteen al een vos. Omdat ik in overtreding was, was het extra spannend. Maar die boswachter heb ik er niet gezien. Die zat thuis nog na te hijgen van zijn woedaanval.

Uiteindelijk, na mijn illegale excursie, ging ik nog even bij het huis van de dames Eger langs (die in werkelijkheid zo niet heetten). Alleen de dochter woonde er nog. Haar moeder was inmiddels overleden. Haar vriendelijkheid was een verademing na mijn avontuur met de mopper-boswachter.
Ik vertelde haar van mijn aanvaring met hem en zij moest er hard om lachen.
“Ja, die boswachter die kennen wij wel. Die is niet makkelijk. Maar binnenkort wordt zijn bos verkocht aan Staatsbosbeheer. En dan heeft hij er niets meer over te zeggen.”
Mooi, lang leve Staatsbosbeheer. Alleen zou het met de veeltalligheid van wild dan wel gedaan zijn in het bos.
“Wij huurden vroeger in mijn jeugd altijd een van de huisjes,” zei ik. En ik vroeg of de bungalows nog steeds te huur waren. Dat was zo. En we zijn vervolgens samen naar het huisje gelopen waar wij, het gezin Den Haan, altijd logeerden. Ik vertelde haar van mijn vele goede herinneringen daar. Ook over de hazelworm.
“Ja,” zei ze, “die hebben we toen gemist.
En ook wat aarde en dennenappels. En een hoop insecten.”
“Maar nu eerst maar eens een kopje koffie bij mij thuis,” zei ze.
Even later liep ik een huis in waar ik als kind niet mocht komen. In de hoek stond een opgezette boswachter. Meteen gestraft.

bijdrage van Hans den Haan

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. 
Aanmelden nieuwsbrief
Cookieinstellingen