As, herinneringen en het geloof in een leven na de dood

20 sep , 1:00Columns
2022 01 07 hans den haan 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 6 1 1
Alle mensen met wie ik ooit op vakantie ben geweest, van mijn dertigste tot mijn zestigste, zijn inmiddels overleden. Behalve één. Dat krijg je als je 76 bent.
Zij zijn allen overleden aan kanker.
Met één reisgenote kreeg ik ooit onenigheid. Het ging over het geloof. Zij keurde in het bijzonder mijn geloof af. Want ze vond het “occult”. En dat was niet goed. Alles waar zij het niet mee eens was, keurde ze af. Het was verdorven en slecht. Het was feitelijk een soort boeddhisme, wat ik geloofde. Niet echt slecht, zou ik denken. Maar zij zelf was bij een sekte. En dat vond ik ook niet geweldig. Dus dat ging niet lekker meer, wij tweeën.
Ik heb haar nog wel vier jaar na ons uiteengaan een kerstkaart gestuurd. Maar ik kreeg er nooit een terug. Tot ik op het internet zag dat zij een jaar na onze ruzie was overleden.
Ook mijn beste vriend en mijn echtgenote zijn inmiddels heengegaan. Dus, wordt dit wel een vrolijk verhaal? Inmiddels ben ik er wel aan gewend dat zij er niet meer zijn.
Mijn vrouw leed aan schizofrenie. Van het degeneratieve soort. Dat betekent dat haar verstandelijke vermogens geleidelijk achteruitgingen. Tot uiteindelijk een kinderlijk niveau.
Zij kreeg borstkanker. Die was uitgezaaid naar haar botten. We wisten lange tijd van niets. Zij had wel pijn. Maar de arts van de psychiatrische instelling waar zij verbleef, hield het op spierreuma. Mijn vrouw kreeg fysiotherapie. Dat was een complete misser toen uiteindelijk bleek dat het om uitgezaaide borstkanker ging. Toen die was uitgezaaid, was het al te laat. Veel te laat. Zij is vrij snel na de diagnose overleden. Het was slechts enkele weken later.
Zij begreep overigens niet dat zij kanker had. En misschien was dat een zegen. Zij bleef tot het laatste moment vrolijk.
Bij een screening van de borsten twee jaar daarvoor bleek dat zij dicht borstweefsel had. Maar daar is vervolgens niets mee gedaan. Tegenwoordig is dat anders, geloof ik.
De oncoloog toonde een minzaam lachje toen ik hem vertelde dat de instellingsarts aan spierreuma dacht. Overigens een vervangster van de huidige arts. Dat we hem niets verwijten.
Na ongeveer een maand kon ik de as van mijn vrouw ophalen. Ik vervoerde de mooie, statige doos in mijn oude fietstas en fietste naar huis. De overblijfselen van je echtgenote op je fiets te vervoeren, dat is zo vreemd. Dat wat erover was van de vrouw die je hebt liefgehad en met wie je zoveel fijne momenten hebt beleefd. Je kunt het niet bevatten.
Ook het feit dat iemand die je zo nabij was, er opeens niet meer is. Een soort ultieme leegte.
Maar ik zeg altijd simpelweg: de ziel heeft het lichaam verlaten. Maar zij is er nog wel.
Ik besloot haar as uit te strooien, maar een klein beetje te bewaren. Daarvoor kocht ik een heel mooi potje. Maar uiteindelijk heb ik een veel grotere pot gekocht. En heb ik alles bewaard. Je hebt dan toch het idee dat er nog iets van haar bij je is, zei ooit iemand. In tegenstelling tot wanneer je haar laat begraven.
Overigens wilde mijn moeder, veel eerder overleden, uitgestrooid worden. En wel op het weitje in het Kroondomein nabij dat wat tegenwoordig hotel Mennorode is. Dat weitje is echt heel mooi en mysterieus. We zagen er regelmatig wilde zwijnen als we ’s avonds een wandeling gingen maken. Mijn moeder vond dat de mooiste plek om uitgestrooid te worden. Overigens is daar vlakbij tegenwoordig een natuurbegraafplaats. Ook midden in het bos.
Als ik overlijd, dan wil ik daar rondspoken. Al word ook ik gecremeerd.
Wij gingen met de hele familie op pad om haar as uit te strooien. Natuurlijk was dat verboden. Maar uitstrooien kun je ook stiekem doen.
We gingen eerst met z'n allen uit eten. We gingen niet over één nacht ijs. En daarna met de familie het bos in. Met een doos met as.
Het is verboden. Maar, je gelooft het niet, toen wij al redelijk op weg waren in het bos, kwamen we de boswachter tegen. We voelden ons betrapt. Maar goed, hij dacht natuurlijk dat we gewoon aan het wandelen waren.
“Zo, lekker aan het kuieren?” “En wat zit er in die grote doos?” Nee hoor, dat vroeg hij niet.
We waren natuurlijk bang dat de kinderen zouden zeggen: “We gaan oma uitstrooien?”
Hier in het bos? Nee hoor, op zee. Maar we zijn al een eind op weg.
Maar de kinderen zeiden niets. Al hadden we niet tegen hen gezegd: bek houden als de boswachter komt. Wie verwacht er nou een boswachter als je je moeder gaat uitstrooien?
Bij het weitje aangekomen, bleek er een stevige wind te staan. Dat vroeg erom om met beleid te strooien. En zeker niet tegen de wind in. Dan sta je as te happen. Maar dat lukte.
Ik zag nog wel wat plekken as op de bodem liggen. Het was niet een perfect strooi-avontuur. Maar goed, bij de eerste regenbui zouden die wel verdwijnen. We gingen er niet vanuit dat de boswachter as-monsters zou nemen voor DNA-onderzoek.
Het was overigens de mooiste crematie ooit. Die van mijn moeder. We keken in het crematorium uit op een bosweg. En tijdens de ceremonie begon het daar voorzichtig te sneeuwen. Dat was oogstrelend. Vooral omdat er een enorme rust van uitging.
Ik moet zeggen dat ik het weitje in het Kroondomein nog vaak een bezoek breng. En als de wind daar door de bomen suist, dan is er echt een geheimzinnige sfeer. Bij uitstek een moment om aan mijn moeder te denken. En dat ik haar nog steeds erg mis. De geest van mijn moeder zweeft nu boven het sparrenwoud, zou Gerard Reve gezegd hebben.
Ik houd erg van begraafplaatsen en ik kom er vaak. Ze zijn een oase van rust in een drukke wereld. En de overledenen kletsen niet zoveel. Sommige nog levenden wel. Ik ga op de vlucht voor de levenden.
Zo kwam ik vroeger nog weleens op de begraafplaats Berestein in Hilversum. Ik had daar ooit een man ontmoet, die meteen uitgebreid over het onzichtbare geestelijke leven begon te praten. En dat interesseerde mij wel.
Op een dag, een jaar later, besloot ik hem een bezoek te brengen. Hij woonde in een woonboot tegenover de ingang van het kerkhof. Een groot houten kruis tegen de voorwand van de boot. Vanuit zijn woonark keek hij feitelijk uit op de toegangspoort van de begraafplaats. Na wat gepraat te hebben over het occulte en over geesten, zei hij dat er af en toe overledenen zijn die de boot bezochten. Ik geloofde hem ogenblikkelijk. Dit omdat ik zelf eenmaal een geest gezien heb.
“Ze komen naar me toe,” zei hij. “En ze zijn meestal in verwarring. Ze weten niet wat er met hen gebeurd is. Ze blijven in de buurt van het kerkhof, want daar is hun lichaam.”
Nu had ik dat soort verhalen wel vaker gehoord. Overleden mensen die niet beseffen dat ze dood zijn.
“Ze zijn geheel wit,” zei hij.
Sommigen zullen het een eng verhaal vinden. Maar ik had er geen moeite mee. Ik geloof zeker dat wij na de dood voortleven. En dat sommigen in het begin niet beseffen wat er gebeurd is.
Ik ben nog lang bij hem gebleven. Het was een boeiend gesprek. Over theosofen, rozenkruisers, enzovoort. Alles waar iemand van 19, zoals ik, zich voor interesseerde.
Ik ben twee jaar geleden nog eens ter plekke op zoek gegaan naar de geestenziener in de woonboot. Maar die boot was er niet meer. Ik denk dat hij inmiddels ook zelf overleden is. Hij was ouder dan ik.
Alhoewel het wel logisch is, was het een teleurstelling. Een jeugdherinnering voorgoed vervlogen.
Bijdrage van Hans den Haan
2026-08-03 column
loading

Loading articles...

Loading