Laatst was ik bij AH op de bakkersafdeling en nam ik zoals gebruikelijk een paar broodjes mee.
Ik had mijn hand nog niet in de plastic container gestoken of een lieftallige dame vroeg aan mij of ik ‘deze’ zocht. Zichtbaar en demonstratief hield zij de broodjestang in haar handen en duidelijk in mijn gezichtsveld. Ik dankte haar vriendelijk voor deze suggestie en voltooide mijn actie zonder enige interventie of hulpmiddelen.
De volgende dag stopte ik voor het gemak een leeg blikje in de glascontainer. Deze kwam ineens na de flessen ook tevoorschijn en ik dacht gewoon hupsakee, ook opgeruimd, komt vast goed, dacht ik nog. Hoorde ik ineens een luide stem achter mij die deze actie afkeurde.
Ik heb nu dus een zwaar gemoed. Ik bewonder de oprechtheid bij deze mensen. Dit is niet meer toevallig.
Nederland heeft een leger met oplettende personen die de processen, hygiëne en duurzaamheid bewaken. Eigenlijk voel ik mij nu een stuk veiliger nu ik weet dat Ebola is uitgebroken in Afrika. Dat virus krijgt absoluut geen kans om hier naar binnen te dringen.
Later heb ik overigens nog allerlei excuses bedacht waarom het beter is om broodjes niet met die vieze tang te pakken, een tang die iedereen zo’n beetje in zijn handen heeft gehad. Tegelijkertijd, dit wordt volgens mij cognitieve dissonantie genoemd.
Wat bij mij schrijnt is dat ik in mijn ogen met onbeduidende en onbelangrijke handelingen met overtuiging word aangesproken over mijn vermeende criminele inborst.
Ik worstel hiermee.
Gelukkig vliegen de raketten en drones onze huiskamer niet binnen. Ik zou werkelijk ten einde raad zijn.
Bijdrage van Frank van der Kaaij