‘In 1982 verhuurde ik mijn Amsterdamse studentenkamer twee weken onder aan Amnesty International: kort daarop gaf ik mijn sleutel aan twee Koerden die uit Irak waren gevlucht.
De korsten bloed zaten nog op hun gezicht en handen. Ze gingen de procedure in. Naderhand hoorde ik dat ze op het vliegtuig terug naar Bagdad waren gezet. Een paar dagen later waren ze dood.’
René van Stipriaan, de schrijver, heeft moeite gedaan om het lot te achterhalen van de twee mannen. Het kwam hem vast niet bij toeval ter ore. Misschien zag hij ze maar kort. Maar het maakte kennelijk indruk, want de aangehaalde passage vind je in een essay dat hij drieënveertig jaar later schrijft: Afscheid van het oude Nederland. Kunnen we onze democratie nog redden? Van Stipriaan denkt dat dit zaken zijn waar we liever over zwijgen.
En dat gebeurde ook.
De kranten maakten er geen melding van. Onze overheid zette de twee als zoekers naar geluk – wie is dat niet? - het land uit, waarna ze een paar dagen later morsdood waren. Een natuurlijke dood ligt niet erg voor de hand. Alleen dankzij Van Stipriaan weet ik dat dit gebeurt en weet jij het nu ook. De kans dat het ook nu nog gebeurt, zonder dat wij het te weten komen, lijkt aanwezig.
Hoewel we personen als deze twee mannen vandaag officieel niet herdenken, vrees ik toch dat ze door mijn hoofd zullen gaan. Gelukkig kennen we geen gedachtenpolitie en hebben we zelfs een speciale dag waarop we onze vrijheid koesteren en vieren.
Bijdrage van Hans Dammingh