Hans den Haan: brie

15 feb , 9:00 Columns
2022 01 07 hans den haan 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 6 1 1

Als ik in een hotel slaap en ik weet dat er bij het ontbijt een stuk brie klaarligt, dan zet ik de wekker op half zeven.

Ik wil dan koste wat het kost voorkomen dat de brie op is, als ik ga ontbijten.

Eigenlijk begin ik me de avond van tevoren al te verheugen op de brie.

Het is altijd nog een innerlijke strijd: zal ik de brie op een broodje leggen of hem zo puur opeten? Die beslissing neem ik op het laatste moment. Als ik de brie daadwerkelijk zie. Ik luister dan naar mijn innerlijke stem. Die vaak alleen maar wat zit te kletsen. Maar als het om brie gaat, dan weet hij van wanten.

Het is net zoiets als dat ik mij afvraag: zal ik bij deze benzinepomp tanken of bij de volgende een reep chocola kopen?

Ik moet niet een te diepe gehechtheid aan brie ontwikkelen. Dat weet ik. Want dan wil ik hem niet meer opeten, omdat ik hem te lief vind. Ik durf m’n tanden niet te zetten in een schattebout. Maar de brie kun je niet te lang bewaren. Dat weet ik. Dus is deze relatie gedoemd niet eeuwig te duren. De brie heeft immers geen leven na de dood.

Een stuk brie inlijsten is ook niet echt een goed idee. Al zou ik het wel graag willen. Het probleem is vooral: schimmel op de binnenkant van het ontspiegeld glas.

Ooit was ik in een hotel waar ook honden mochten komen. Een hond had toen daar de brie gevonden en deze gauw stiekem opgepeuzeld. Voor mij was dat shocking. En zo ook voor de baas. Want een hond die te veel brie heeft verorberd, laat de hele dag vieze winden. Dat is bekend.

Neem hem niet op schoot. Want zelfs tien minuten doorbrengen in pekinese luchtverontreiniging is een straf. Het probleem is: honden eten meestal veel eiwitten. En ze hebben een korter darmstelsel dan wij. En andere darmbacteriën. Dus kunnen ze behoorlijk stinken.

Vroeger gaf men op Sicilië de honden altijd ijzervijlsel en bruine bonen te eten. Het voordeel was dat zij hun ontlasting met een luide knal rechtstreeks de grond in schoten. Als er een vijandig schip naderde, dan stelden de Sicilianen hun honden op het strand op met hun achterwerk in de richting van het schip. Met een beetje geluk klonken er dan wat droge knallen en de boot werd zwaar getroffen. Kanonsdrollen noemde men dat. Stronzi di cannone in het Italiaans.

Het fijne van brie vind ik altijd dat hij zich niet laat ringeloren door een kaasschaaf. Terwijl de kaasschaaf zelfverzekerd nadert, zucht de brie eens diep en denkt: leuk geprobeerd.

De brie weet het: hij is niet bedoeld voor strakke plakjes en discipline. Niet bedoeld voor Hollandse zuinigheid. Hij is er om royaal te worden afgesneden, met een mes, op gevoel. Want echte zachte romigheid laat zich niet ringeloren door staal.

Op wereldstekeldag gun ik ook de egels in de tuin een stukje brie. Een egel met culinaire ambities heeft er eens danig van gesmuld. Samen met langzaam gegaarde slakkenstoof. Hij was stekelig van buiten, de egel, maar van binnen verfijnd met een goed gevoel voor culinaire smaak.

De brie moet wat mij betreft ook wel getuigen van een bepaalde kwaliteit. Niet dat ik een verwend nest ben. Zo overkritisch ben ik nou ook weer niet. Maar gezien mijn speciale relatie met brie, neem ik met quasi-brie geen genoegen.

Het moet mij van het hart: de gemiddelde Nijkerkse supermarktbrie kan mij niet bekoren. Reeds van een meter afstand heb ik al het gevoel: dit is geen behoorlijke brie. En als niemand kijkt, dan begin ik met voorzichtig te knijpen in de brie. En te snuffelen. Voelt de brie als een versleten huishoud-spons, dan kan de brie het wel schudden. Dan gaat de brie zeker aan mij voorbij.

Ze kunnen dan net zo vaak roepen “ja, maar dit is roombrie”. Dan blijf ik bij mijn standpunt omtrent de brie. Ook dan heeft de brie geen schijn van kans.

Begin ook nooit met “deze brie heeft tonen van paddenstoelen en gras”. Niet dat ik daar in het openbaar om sta te lachen. Maar stiekem in m’n vuistje wel.

Ik had ook laatst met een medewerker van de keuken van hotel “De slappe flamingo” een uitgebreid gesprek over hoe je brie behandelt. De brie moet rusten voordat je hem opdient. En hij moet vooral spontaan op temperatuur komen. Verwarm de brie niet een paar seconden in de magnetron. Dan gaat de brie aan de wandel. Als hij dan eenmaal de hoek om is, dan kun je het wel schudden. Dan zie je hem nooit meer terug.

Natuurlijk verheug ik me altijd op de bijeenkomsten van de briologenclub. De vereniging van liefhebbers van brie. Wij komen eens per maand bijeen in een knusse zaal boven een kaaswinkel. De vergadering begint steevast met een “aansnijdmoment”. In eerbiedige stilte wordt de brie aangesneden. Dan klinkt er goedkeurend gemompel: “op z’n hoogtepunt”.

Natuurlijk hebben we verschillende commissies. Zoals de Commissie Rijping en de Werkgroep Brie en Wijn. En één keer per jaar een blindproeverij.

Het mooiste van de vereniging is niet de kaas. Het is het ritueel. Het delen. Het zachte gelach wanneer iemand per ongeluk een te groot stuk neemt. Het besef dat geluk soms heel simpel is: een ronde witte kaas, een goed gesprek en mensen die begrijpen dat je ontroerd kunt raken van een perfect gerijpte brie.

Als ik weet dat er in een hotel brie is bij het ontbijt, dan sta ik om half zeven op om de brie niet te missen. Als ik een hotel boek, dan vraag ik altijd eerst of ze brie hebben bij het ontbijt. Zo niet, dan zoek ik een ander hotel. Tenzij ze op de lunchkaart een broodje brie hebben staan. Dat mag dan wel met walnoten en wat honing. Daar heb ik geen problemen mee.

bijdrage van Hans den Haan

columnisten