We hoeven voor de zon en de warmte niet meer naar Zuid-Europa.
Zuid-Europa is inmiddels naar ons toe gekomen. Althans het weer. Dat heet klimaatverandering. Het scheelt ook een stukje reizen. Hoewel dat reizen, of rijden, naar Zuid-Europa eigenlijk wel leuk was. Je zag dan onderweg landschappen en dorpen die er iets anders uitzien dan hun soortgenoten hier in Nederland. Dat had wel wat.
Maar tegenwoordig is het in Zuid-Europa puffen van de hitte. En dat is toch wel een beetje een lijdensweg. Al gaan er toch nog steeds veel mensen voor hun vakantie die kant op. Dezulken die hardleers zijn.
Maar tegenwoordig blijf je, als je verstandig bent, in Nederland. Of een van de noordelijke landen.
Je mist dan wel de Middellandse Zee. Die ik altijd bijzonder fascinerend vind vanwege de Odyssee. De avonturen van Odysseus. Als je in Marseille aan zee staat of ergens anders, dan is dat toch het eerste wat in je opkomt. Die geweldige avonturen hebben zich daar afgespeeld. Althans, niet echt, maar volgens het verhaal. Dan wil je meteen met een boot de zee op om te kijken of de Sirenen nog bestaan. Die toch van een andere orde zijn dan de watergeesten van de Veluwe.
Maar aan de andere kant kijk je toch ook weer niet met echt plezier naar de Middellandse Zee. Dit omdat je weet dat er heel veel mensen daar verdronken zijn die de oversteek naar Europa wilden maken.
Maar terug naar de klimaatverandering. Het is hier nu ook vaak heet en droog. Maar temperaturen van veertig graden of meer, zoals in Zuid-Europa, zijn hier toch nog steeds een grote uitzondering. Alhoewel rond de dertig ook niet echt fijn is. Maar het is toch wel een groot verschil. Dus dan toch maar hier blijven met vakantie.
Je kunt ook een verre vliegreis maken. Maar dat is langzamerhand toch ook een beetje het nieuwe roken. Met een vlucht naar Thailand produceer je evenveel CO2-uitstoot als met een paar duizend keer onder de douche. Niet doen dus.
Vroeger, in mijn jeugd, gingen we echt naar het zuiden om nog een beetje zon te hebben. Vroeger, dat was voor mij eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Met ons vijven in de Volkswagen kever, de bagage bovenop het dak.
Eenmaal in Zuid-Europa stuurden we de thuisgeblevenen een ansichtkaart met enkel een zonnetje erop getekend. Niet alleen om hen te pesten. Maar ook omdat een tekst schrijven op zo’n kaart meer postzegels kostte. Met enkel een getekend zonnetje begrepen die arme achterblijvers (stakkers) ook wel dat we lekker in de zon zaten te bakken daar in het zuiden.
We vertrokken dan in Nederland vaak met een bewolkte lucht en kans op regen. We probeerden het eerst nog in Duitsland. Je reed niet meteen naar de andere kant van de Alpen. Maar vaak was het weer daar in Duitsland niet beter. Grijze luchten, veel regen soms en een beetje kil. Dat was de oertijd, toen het klimaat nog niet zo erg was veranderd. Maar na een paar dagen volhouden, in een natte tent en met gewassen kleding die maar niet wou drogen, besloten we om de spullen maar op de auto te laden. En de andere zijde van de Alpen op te zoeken. Dan konden in ieder geval de gewassen onderbroeken drogen.
Oom Joop ging dezelfde route als wij. Niet samen met ons. Oom Joop probeerde het vaak niet eens aan deze kant van de Alpen. Afgezien van het feit dat hij niet in één keer doorreed en wel een overnachting halverwege inplande. Een gevleugelde uitspraak van Oom Joop was altijd: “Doorrijden Alie, het gras is hier nog veel te groen.” Alie was zijn vrouw, die naast hem zat. Uitleg: daar waar het veel regent, is het gras groen. Daar waar nauwelijks regen valt, is het geel. Daar moet je zijn als zonnetoerist.
Maar het was altijd frappant hoe anders het weer was aan de ander zijde van de Alpen. Alsof je in een andere wereld terecht kwam. We reden feitelijk altijd over de Sint Gotthardpas naar de andere kant. De weg bestraat met stenen, geen asfalt. De tunnel was er toen nog niet. Dat was altijd een hachelijk avontuur met al die haarspeldbochten, vaak langs de afgrond. Mijn moeder kreeg een blinddoek om en een prop in haar mond. Zodat ze de afgrond niet zag en niet kon schreeuwen van angst. Nou, zo erg was het niet. Maar ze vond het wel eng. Het was voor haar een bezoeking.
Ook hadden wij daar op Sint Gotthard de eerste-versnellings-truc. Mijn vader achter het stuur, mijn broer daarnaast. Mijn broer zette dan de auto uit. En mijn vader schakelde terug naar de eerste versnelling. In z’n één kun je dan lekker de helling op.
Maar op het hoogste punt van de pas was het vaak nog niet echt goed weer. Pas tijdens de afdaling begon het weer langzaam te verbeteren. Totdat je helemaal beneden in de volle zon reed. Maar goed, tegenwoordig gaan de meeste mensen door de tunnel. Maar niet iedereen. Er zijn nog liefhebbers van het Alpenlandschap die de pas nemen. Of fietsers of motorrijders.
In die tijd was zo’n bergpas ook een avontuur, omdat je motor warm kon lopen. Vooral de auto’s met waterkoeling hadden daarmee te stellen. Die moesten dan stoppen om het water weer te laten afkoelen. En eventueel bij te vullen. Tegenwoordig hebben we daartoe koelvloeistof.
M’n vader zei altijd: “Daar hebben wij geen problemen mee, want wij hebben luchtkoeling.” Wij reden stug door naar boven. Dat was het voordeel van de VW kever.
Eenmaal beneden aan de zuidkant reed je dan in de zon. Blauwe luchten, lekker warm. Dat was zo’n opluchting na al dat slechte weer in Duitsland en Noord-Zwitserland. Je stemming sloeg meteen om.
Het grote spel was dan altijd: wie ziet de eerste palmboom? De palmboom was het symbool van de zuidelijke streken. Maar ik wist waar hij stond, die eerste. Dus ik won het spelletje vrijwel altijd.
Wij gingen naar een camping aan het meer van Lugano. Daar kende men ons langzamerhand, want we gingen er jaar in jaar uit heen. Toen ik een klein Hansje was.
In het begin verbrandde je gewoon. Zonnecrème, daar deden we nog niet aan. Je vervelde daarna min of meer. En tenslotte werd je bruin. Je kon de nieuwkomers altijd goed onderscheiden van degenen die er al een tijdje waren. Die waren wit. Die zagen er een beetje eng uit.
Een van de eerste dingen die mijn vader daar deed, was de Telegraaf kopen. Want dat was de enige Nederlandse krant die je daar kon krijgen. Niet zozeer voor het nieuws. Maar om te kijken wat het weer in Nederland was. Dan riep hij: “Jongens, in Nederland regent het nog steeds. Vanavond koffie met gebak.” Een belangrijke spoorlijn op weg naar Milaan liep langs de camping. En dat was voor mij als treinliefhebber een waar genot. Ik zag daar de locomotieven die ik alleen uit de Fallergids kende. Het modeltreinen-walhallaboekje.
Wij gingen altijd vijf weken op vakantie. Want mijn vader werkte in het onderwijs. Het leven was daar in Zuid-Zwitserland niet veel duurder dan in Nederland. Al waren de prijzen in Zwitserland wel iets hoger. Maar we kochten altijd bij de Migros. Dat was destijds de goedkope supermarkt van Zwitserland. Uit eten of andere escapes deden we nooit. Of bijna nooit.
Mijn moeder kookte altijd zelf op een Primus. Een kampeerkookstel dat werkte met petroleum en dat je moest oppompen om de brandstof onder druk te zetten. Het was meer iets voor de soldaten in de Eerste Wereldoorlog, zou ik denken. Maar het deed het.
We namen altijd uit Nederland een flink aantal blikken met cornedbeef mee. Rundvlees in blik. In ieder geval iets dat door soldaten in de Tweede Wereldoorlog werd gegeten. Alhoewel het nogal zout was. Het bestaat overigens nog steeds.
Vijf weken gingen wij op vakantie, waarvan zo’n vier weken aan het meer van Lugano. Het lijkt het paradijs. Maar op een bepaald moment waren we het wel weer zat. Iedere dag zon, een zekere hitte, zwemmen, luieren en cornedbeef eten. Er kwam altijd wel een moment dat je weer naar het gewone leven thuis verlangde. Een koele bries. En vooruit, een lekkere regenbui. Dan was je uitgezwommen.
De lange reis terug.
En weer terug in Nederland leek ons land net op Madurodam. Alles zo popperig. En de afstanden waren ook helemaal niets. We zitten alweer in Utrecht.Uit traditie gingen we, eenmaal weer in Nederland, altijd ergens een uitsmijter eten. Dat was feitelijk de afsluiting van de vakantie. Standaard met rosbief.
Bijdrage van Hans den Haan