Ik heb hem nooit verteld dat er regelmatig een geest in zijn buurt is. “Hem” is Anton. Anton Bruiswater om precies te zijn. Ik denk ook niet dat het handig is om het hem te vertellen. Het geeft vooral onrust, zou ik denken. Slecht slapen. Wantrouwen tegenover elk krakend geluid. Het soort rusteloosheid die zich langzaam vastzet in zijn hoofd en daar een eigen leven gaat leiden. En voor je het weet lig hij ’s nachts wakker, starend naar het plafond, wachtend op iets wat misschien helemaal niet komt.
Hij, Anton, heeft er blijkbaar ook geen last van. De aanwezigheid van die geest. Wel spreekt hij soms van een “voorouder”. Hoezo voorouder, Anton? Dan kijkt hij mij wat glazig aan, alsof hij net wakker wordt uit een middagdutje dat net iets te diep ging.
“Heb ik dat gezegd?” vraagt hij dan.
Het verbaast mij echter dat die geest zo echt is. Zo tastbaar bijna, zo overtuigend aanwezig. Mensen denken vaak dat geesten half doorzichtig zijn. Of een soort witte schim, een vage contour die oplost in de lucht. Dat komt natuurlijk omdat ze de boeken van Havank hebben gelezen, waarin spoken altijd doorzichtig zijn en een beetje clichématig rondwaren.
Maar de geest rondom Anton is geenszins doorzichtig. Hij ziet eruit als volkomen echt. Tot in de kleinste details. Je kunt zelfs de knopen op zijn jasje tellen. Het zijn er twaalf. Twee rijen van zes. Keurig symmetrisch. Een beetje zoals de tepels van een zeug.
En natuurlijk die gekke pofbroek. Met enorm wijde pijpen onderin. Noemden ze dat niet een drollenvanger? Zo’n kledingstuk dat je tegenwoordig alleen nog maar tegenkomt in musea of op schilderijen van mensen die er ernstig bij kijken.
In ieder geval ziet hij er netjes uit. Krulhaar, dat wel. Maar toch netjes. Verzorgd zelfs. Alsof hij elk moment op bezoek kan gaan bij de koning. Al zal die hem niet kunnen zien.
Je begrijpt ook niet dat geesten er zo superrealistisch kunnen uitzien. Keurig gekleed en zo. Je zou toch zeggen: in de geestenwereld heb je geen kleding nodig. Geen schoenen. Geen jas tegen de kou. Maar niets daarvan.
Het enige is dat ze nooit van pakkie wisselen. Ze blijven gekleed zoals op het moment van hun overlijden. Of kort daarvoor, in het geval ze in hun pyjama zijn gestorven. Blijkbaar willen ze niet in pyjama door het hiernamaals dwalen. En dat was het dan. Geen garderobekast, geen uitverkoop, geen modetrends. Dat kennen geesten niet. Maar goed, in het hiernamaals zijn er natuurlijk ook geen kledingwinkels. En geen paskamers.
Ridders dragen nog steeds hun harnas. Al zal dat in de geestelijke wereld niets wegen. Ze zweven er waarschijnlijk vrij lichtjes mee rond, zonder het gekletter dat je zou verwachten.
Een kenner zei mij eens: “Ze vormen zelf hun uiterlijk voorkomen. Net als in een droom. Daarin kleed je ook jezelf.”
“Dus ze dromen feitelijk half,” zei ik.
“Ja, min of meer wel. En wij zien hun droomuiterlijk. Nou ja — degenen die hen kunnen zien.”
In mijn dromen denk ik nooit na over wat ik aan heb. Maar ik ben wel gekleed. Dat gaat vanzelf. Ook ik schep dan mijn eigen droompakkie, zonder dat ik daar moeite voor doe. Dus ik kan me er iets bij voorstellen.
En hij zei ook nog: “Ze zien er vaak jonger uit dan op het moment van hun sterven. Omdat ze zich jonger voelen.”
Weer wat geleerd.
Het probleem met die geest van Anton is ook: hij gooit soms iets om in zijn huis. Ja, toe nou. Daar zitten we nou ook niet echt op te wachten. Een kopje dat plotseling van tafel glijdt. Een boek dat zonder aanleiding dichtklapt. Kleine dingen, maar precies groot genoeg om je uit je evenwicht te brengen.
En als je dan zegt: “Foei,” dan verdwijnt hij opeens door de muur.
“Toedeledokie, ik ben weg.”
En als je dan boos wordt, dan hoor je hem aan de andere kant van de muur lachen. Alsof hij eindelijk iets heeft gevonden om zich mee te vermaken in zijn eindeloze bestaan.
Toen Anton vroeg hoe het toch kon — steeds van die dingen die omvallen — heb ik hem toch maar verteld van die geest in zijn huis. Je verwacht dan een schok. Ontkenning. Misschien zelfs paniek.
Maar hij schrok niet eens.
“Ik heb het altijd wel gedacht,” zei hij.
“Je mag wel oppassen dat hij niet gaat polteren,” zei ik.
“Wat dan?”
“Poltergeist. Dan gaat hij echt met spullen smijten in je huis.”
“Brrrrr.”
“Maar waarom heb je het altijd al gedacht, Anton?”
“Ik weet niet. Ik voel soms een aanwezigheid.”
En dat zei hij op een toon die je niet zomaar naast je neerlegt.
De vraag is natuurlijk — en die mogen we best serieus stellen, zonder er meteen een grap van te maken — hoe die geest in het huis van Anton is gekomen.
Ik vroeg hem: “Heb jij soms een heel oud ding? Iets dat je hebt geërfd? Of op een rommelmarkt gekocht?”
“Ik heb niet zoveel ouds,” zei hij. “Ik houd niet zo van oud.”
“Alleen …”
“Alleen wat?”
“Alleen een heel bejaarde kast. Die heb ik van mijn oudoom. Ik vond hem mooi. En handig. En de deur piept een beetje. En dat vind ik vertederend. En misschien staat hij wel op instorten. Maar hij heeft karakter.”
Oké. Een oude kast. Helder.
We liepen samen naar die kast. En ik nam mijn EMF-meter mee. Feitelijk een geesten-aanwezigheids-apparaatje. Die meet elektromagnetische straling. En geesten zenden die uit. Of zoiets. Stopcontacten doen dat ook. Dus in zekere zin zijn geesten een soort stopcontacten. Het verschil is alleen dat je ze niet zomaar in de muur kunt schroeven.
Dus als de stroom uitvalt, steek je de stekker in een geest. En je koffiezetapparaat doet het weer. Handig. Al vermoed ik dat de geest daar zelf een mening over heeft.
En ja hoor. Die kast stond bol van de elektromagnetische straling. Die meter piepte alsof het zenuwachtig werd van zijn eigen metingen.
Dus die geest is meegekomen met die kast. Daar zit hij in. Geduldig. Wachtend. En als het donker wordt, komt hij eruit. Dan gaat een beetje rondzwerven door het huis van Anton. Even de benen strekken, bij wijze van spreken.
“Weet je wat jij hebt,” zei ik.
“Nee.”
“Een plaatsgebonden geest.”
Maar waarom zit zo’n geest dan in een kast? De hele dag. Is dat niet een beetje een saai bestaan? Een eeuwigheid tussen planken en hangers, zonder uitzicht, zonder verandering?
Ik zei tegen Anton: “Jij ligt toch ook zowat de hele nacht op bed. En dat vind je ook niet saai.”
Hij keek me aan alsof hij dat een zwak argument vond, maar hij had geen direct weerwoord.
Ik vertelde hem dat ook geesten zich in een soort droomtoestand bevinden. Iets wat ik van die kenner heb geleerd. Maar dan superrealistische dromen. Ze dromen en waken tegelijk. Ze zien hun omgeving, horen je stem.
“Hoe weet je dat?” vroeg hij.
Maar dat hield ik voor mezelf.
“Ze zitten soms wel honderd jaar lang in oude, verlaten gebouwen,” ging ik verder. “Waar nog maar zelden iemand komt. Maar ze vinden dat helemaal niet erg. Want ze leven in een droomwereld waarin de tijd geen rol speelt.”
Anton keek me ongelovig aan.
“En als er dan toch iemand langskomt,” zei ik, “dan roepen ze: ‘Donder op. Wegwezen’.”
“Het is net alsof er dan iemand aan je arm trekt als je net lekker ligt te slapen. Daar heb je ook geen behoefte aan.”
Anton knikte langzaam. Als een ja-knikker op halve snelheid.
En ergens, heel even, leek het alsof hij medelijden kreeg.
Niet met zichzelf.
Maar met die geest in de kast.
BIjdrage van Hans den Haan